Tropaeolum majus (Oost-Indische kers)

Oost-Indische kers (Tropaeolum majus)

De Oost-Indische kers is een rankende, soms klimmende, eenjarige. De vrolijke, helder gekleurde bloemen en het mooie ronde blad zorgen moeiteloos voor kleur in de tuin. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, komt de plant uit Midden-Amerika. Waarschijnlijk is ‘kers’ afgeleid van de Engelse naam Cress of het Duitse Kresse.

Er zijn verschillende soorten,  allemaal met dezelfde helder oranje of gele bloemen. De Oost-Indische kers stelt weinig eisen aan de grond en doet het goed in zon en schaduw.
Hoewel eenjarig, hoef je toch maar één keer te zaaien. De plantjes overleven de eerste nachtvorst niet, de zaden wel. Elk voorjaar sta ik weer handenvol Oost-Indische kersjes uit te trekken, die dan lekker in een omelet of in een groen voorjaarssoepje kunnen.

Tropaeolum majus (Oost-Indische kers)

 

Nuttig in de moestuin

Je kunt Oost-Indische kers gewoon voor de sier in de tuin zaaien. Maar het plantje heeft meer kwaliteiten. Tussen de koolplanten zorgt ze door geur en kleur voor verwarring bij het koolwitje: “Staat hier nou kool of niet?” Voor alle zekerheid legt ze dan haar eitjes maar op de blaadjes van de Oost-Indische kers.

rmajus (Oost-Indische kers)
Verschillende kleuren Oost-Indische kers

Oost-Indische kers houdt luis weg bij planten in de buurt. Draai eens een blaadje om en soms zie je dan de luizen rond het steeltje zitten. Toch lijkt het plantje daar zelf niet erg onder te lijden.

Alles is eetbaar

De blaadjes: de eerste jonge blaadjes kunnen in de soep of in een omelet. Fijngesneden grote bladeren geven een salade een pittige, peperige smaak. Let wel even op eventuele luizen op de achterkant van het blad.

Ik vermoed dat je van de bladeren ook pesto kunt maken. Dat ga ik dit jaar eens proberen. Als het zover is, laat ik weten hoe dat smaakt.

Salade met viooltjes, blad van rode melde en Oost-Indische kers
Salade met viooltjes, blad van rode melde en Oost-Indische kers

De bloemen: een handjevol gestrooid over de salade of de pasta maken je gerecht af.

De zaden: de zaden van de Oost-Indische kers zijn mooi rond en kunnen worden ingelegd als kappertjes. Neem hiervoor zaden die nog lichtgroen en zacht zijn. Was ze en zet ze een nacht in koud water met zout. Leg daarna de zaden in azijn, gekruid met dragon, zwarte peperkorrels, kruidnagels en laurierblad en breng het geheel even aan de kook. Als de zaden dan nog erg hard zijn laat je ze wat langer koken. Breng ze met de kruidenazijn over in potjes en laat tenminste drie maanden staan voordat je ze gebruikt.

Tot slot: als alles uit de moestuin wel zo’n beetje is geoogst, dan laat ik de Oost-Indische kers de tuin overnemen. Tot de eerste nachtvorst heb ik dan een tapijt van groene blaadjes en oranje bloemetjes.

Advertenties
Equisetum arvense (Heermoes of Akkerpaardenstaart)

Heermoes (Equisetum arvense)

Het is nu echt lente. Dat zie je niet alleen in de tuin. Ook in de berm kun je heel wat in bloei zien staan: hondsdraf, dovenetel, paardenbloem, fluitekruid, groot hoefblad.

Een paar weken geleden zag ik in de berm de bijzondere bloei van akkerpaardenstaart of heermoes. Eerst komen de kale stengels tevoorschijn die sporen bevatten (zie foto boven).

Na een paar weken zijn deze verdwenen en veranderd in fijnvertakte groene stengels (zie foto hieronder).

Levend fossiel

Wat echt bijzonder is: net zoals varens is dit een oerplant die zich als ‘levend fossiel’ nog steeds handhaaft. Alleen daarom al wilde ik er een stukje aan wijden.

Driehonderd miljoen jaar geleden, in het Carboon, groeiden ze uit tot twintig meter hoogte. Later, zo’n honderdveertig miljoen jaar geleden, waren ze een belangrijke voedselbron voor dinosaurussen.

Ik kan me bij deze jaartallen helemaal niets voorstellen, behalve dat het heel erg lang geleden is.

Equisetum arvense (Heermoes of Akkerpaardenstaart)

 

Giftig

De akkerpaardenstaart is dus een overlever. Hij groeit op vochtige, voedselarme en zure gronden.

Op vervuilde bodem blijft hij  het langste staan of is hij een van de eerste planten die weer verschijnt. Heermoes is zó goed bestand tegen zware metalen dat het deze zelfs opslaat in het eigen weefsel.

In de tuin wil je deze plant liever niet. Het kan een plaag worden door de ondergrondse wortelstokken. In het weiland is hij ook ongewenst: voor dieren en vooral paarden is hij giftig.

In de homeopathie worden aan de plant geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. Gezien die zware metalen zou ik er niet zomaar een aftreksel of thee van maken, maar het schijnt te kunnen.

Allium ursinum (Daslook)
Afbeelding

Allium ursinum (Daslook)

Daslook is een voorjaarsbloeier uit de uienfamilie. In Nederland komt daslook nauwelijks nog in het wild voor en is het een beschermde plant. Je mag de plant dus niet plukken of de bol uit de grond halen.
In Engeland en Ierland komt de plant algemeen voor en zijn in april hellingen bedekt met de witte bloemetjes. Ik kwam zelfs een Iers recept tegen voor daslooksoep. Je hoeft ze niet uit de natuur te halen: je kunt gewoon daslookplantjes kopen en in je tuin zetten.

Phaseolus vulgarus (kievitsboon)

De slingers ophangen. Over kievitsbonen

“Het leven is een feest,  maar je moet wel zelf de slingers ophangen”. Ik heb dit, geloof ik, gelezen op een poster van Loesje. En ik ben het er mee eens.

Daarom zet ik om de paar jaar kievitsbonen in mijn tuin. En dan de klimmende variant, zodat je in de nazomer de mooie grote rode peulen goed ziet hangen. Wat een feest: alsof er slingers hangen in je tuin!

Spraakverwarring

Er zijn verschillende namen voor deze bonensoort. In Nederland heten ze kievitsboon. De veel bekendere Italiaanse naam is borlotti. En in Frankrijk noemen ze ze coco rose.

Hier begint dus de spraakverwarring. Want sommige bronnen spreken van kievitsboon ofwel pintoboon, niet te verwarren met de borlotti of coco rose. Dit omdat de pintoboon van oorsprong uit Chili komt, terwijl de andere twee hun oorsprong in Zuid-Europa zouden hebben.

Volgens anderen zijn het gewoon verschillende namen voor dezelfde boon. De Latijnse naam biedt ook geen uitkomst. Bij de zaadhandel heten ze allemaal Phaseolus vulgarus.

Ik kom er niet uit. Hoe ze ook heten, allemaal hebben ze de prachtige, vlammend rode peulen en de gespikkelde wit-rode boontjes. Dat verklaart de Nederlandse naam: de boontjes lijken op kievitseitjes.

Zaaien, oogsten en eten

Leg kievitsbonen vooral niet te vroeg, zeker niet voor mei. En dan ook nog als er goed weer verwacht wordt. Te nat en te koud weer (vooral die combinatie) maakt dat de bonen gaan rotten in de grond.

Omdat ze niet zo gemakkelijk ontkiemen (voorweken helpt) en de weersomstandigheden nauw letten, kun je ook binnen voorzaaien in potjes. Je hebt de omstandigheden in de hand en voorkomt dat de net opgekomen boontjes worden afgepikt door de vogels.

Het mooiste effect krijg je met de klimmende variant: de bonen worden gemakkelijk een paar meter hoog en slingeren zich rond de stokken of steunen. Na de bloei verschijnen de eerst groene bonen.

De eerste keer dat ik ze probeerde liet ik sperziebonen en kievitsbonen door elkaar groeien. Ik dacht aan de kleur wel het verschil te zien. Dat bleek niet zo te zijn: ze beginnen allebei groen. Maar terwijl je de sperziebonen dan plukt om te eten, moeten de kievitsbonen veel langer blijven hangen.

Langzaam kleuren de kievitsbonen rood tot ze ongeveer in september je hele tuin opfleuren. Gecombineerd met dahlia’s is het tuinfeest compleet.

Kievitsbonen zijn rijp als de boontjes in de peul rood-wit gestippeld zijn. Is dat niet het geval, dan zijn ze nog niet rijp. Kievitsbonen zijn droogbonen, dat wil zeggen dat je ze na het doppen kunt drogen en bewaren zoals bruine bonen.

Maar je kunt ze ook direct vers koken. Tijdens het koken verdwijnen de mooie spikkels. De smaak is niet heel bijzonder, ongeveer zoals de bruine boon.

Met de kievitsboon besluit ik mijn bijdragen aan Het jaar van de peulvruchten. De eerdere twee blogs gingen over tuinbonen en peultjes.

Pisum sativum var. saccharatum (peultjes)

Peultjes

Hoewel ik elk jaar woeker met de ruimte mogen peultjes in mijn tuin niet ontbreken. Om te beginnen: het is zo’n vrolijk gezicht, die vlinderachtige paarse bloemetjes. En dan: je kunt er al snel van oogsten.

Peultjes (Pisum sativum var. saccharatum) zijn een soort doperwten (Pisum sativum). Daarnaast heb je nog de sugarsnaps (Pisum sativum var. macrocarpon).

Het verschil met de doperwt is dat je de hele peul eet. Dat geldt ook voor sugarsnaps. Sugarsnaps worden wat dikker en kunnen langer blijven hangen. Peultjes zijn platter en kunnen daarom eerder geoogst en gegeten worden.

Het kweken van peultjes

Peultjes kun je zaaien vanaf maart, als de vorst uit de grond is. Wacht anders tot begin april. Binnen voorzaaien kan natuurlijk ook. Dan mogen ze in mei naar buiten. Ik zaai ze ter plekke. Een nacht voorweken in water helpt ze sneller ontkiemen.

Peultjes stellen weinig eisen aan de grond: goed losgemaakt, niet te nat, niet te droog, weinig mest. Teveel mest geeft veel blad en weinig peulen.

De planten groeien snel, ranken en worden bossig. Als ze niet gesteund worden vallen ze om. Dat steunen kan met een vlechtwerk, met stokken, langs draden enzovoorts. Zelf gebruik ik snoeihout. Vorig jaar heb ik eerst twee rijen takken in de grond gestopt en daartussen de peultjes gezaaid. Dat beviel goed. Zo voorkom je dat de kwetsbare jonge plantjes beschadigd worden als je er later stokken of takken tussen steekt.

Pisum sativum var. saccharatum (peultjes)
Peultjes in mijn tuin. De oranje bloemen zijn van Oost-Indische kers.

Alma Huisken adviseert in haar boek Van het land  precies het tegenovergestelde: zet rijshout pas tussen de rijen als de plantjes tien centimeter hoog zijn, omdat het anders teveel schaduw geeft. Zo heeft iedereen zijn eigen, meer of minder beproefde praktijken.

Oogsten en eten

Al drie maanden na het zaaien kun je de eerste peultjes oogsten. Door regelmatig te plukken stimuleer je nieuwe groei. Je eet de hele peul, er moet hoogstens een draad afgehaald worden.

In tegenstelling tot de meeste andere peulvruchten bevatten peultjes vitamine C. En wat zijn ze lekker! Verse peultjes hebben eigenlijk geen franje nodig: even blancheren en smullen maar. Ze mogen nog wat beet hebben.

Laat peultjes ook niet te lang hangen. Ze worden snel dik en zijn dan niet lekker meer. Maar geen nood als je bijvoorbeeld terugkomt van  vakantie: eet de te ver gerijpte exemplaren dan als doperwten.

Stikstofleverancier

Voor alle peulvruchten – dus ook voor peultjes – geldt dat ze stikstof in de grond brengen.

Om daar optimaal gebruik van te maken is het slim om de planten na de oogst niet uit de grond te trekken, maar ze boven de grond af te knippen. De stikstof bevindt zich namelijk in kleine knolletjes op de wortels van de plant en blijft op die manier in de grond.

Nog één peulvrucht te gaan. Dat is de mooiste, die bewaar ik voor het laatst…

De tuinboon (Vicia faba)

2016 is door de VN uitgeroepen tot het ‘Jaar van de peulvruchten’. Nu is 2016 ook het jaar van Jeroen Bosch en van nog het een en ander. Maar peulvruchten, daar kan ik wel wat mee.

Peulvruchten

Peulvruchten zijn voedzaam. Ze leveren eiwitten en vezels. Er zijn talloze soorten:

  • linzen
  • peultjes
  • kapucijners
  • kikkererwten
  • bruine- en witte bonen
  • pronkers
  • etc.

Je kunt er eindeloos mee variëren: roerbakken, in soepen, salades of curry’s. Je koopt ze vers, gedroogd of voor het gebruiksgemak in blik. Of je teelt ze zelf in de moestuin.

Niet alle peulvruchten doen het in ons klimaat. Maar als je een beetje een zonnige tuin hebt is het beslist de moeite waard om op zoek te gaan naar bijzondere rassen.

Bewezen soorten tuinbonen

Mijn tuin ligt op het noorden, ik houd het meestal bij een paar soorten die zich in mijn stadstuin bewezen hebben. Een daarvan is de tuinboon: de Vicia faba ‘Witkiem’ om precies te zijn.

In eerste instantie dacht ik bij het Jaar van de peulvruchten aan alles wat een peul heeft. Maar het blijkt dat de VN vooral de ‘droogbonen’ bedoelen. De tuinboon hoort daar niet bij.

Toch wil ik hier de lof zingen van de tuinboon. In Zeeland heten ze paardenbonen en werden ze vanouds gezien als veevoer. Maar een jong tuinboontje, vers uit de peul en kort gekookt, is voor mij een delicatesse. Als tuinbonen wat ouder zijn zijn ze soms minder zacht. Dan loont het de moeite van ‘dubbeldoppen’: het na het koken verwijderen van het harde velletje.

In tegenstelling tot de meeste boonsoorten kan de tuinboon goed tegen de kou, de ene soort iets beter dan de andere. Hij kan dus lekker vroeg de (koude) grond in. Zodra het in februari bij mij begint te kriebelen begin ik met het leggen van tuinbonen. Bonen zaai je niet, bonen leg je. Vraag me niet waarom.

De Vicia faba ‘Aquadulce’ kan zelfs al in november de grond in. Als het daarna nog gaat vriezen is dat geen probleem. Je kunt de grond eventueel afdekken met plastic, zodat ze wat vroeger ontkiemen. Het nadeel is dat slakken dat ook een fijne plek vinden…

Teelt van de tuinboon

De tuinboon wil goed losgemaakte grond die een beetje bemest is. De meeste soorten kunnen goed op zichzelf staan. Ze hoeven niet te klimmen, maar het zijn ook geen bossige planten zoals stambonen. Als ze erg hoog worden kun je ze aanbinden.

Tuinbonen zijn gevoelig voor zwarte luis. De kans daarop is kleiner als de bonen vroeg de grond in gaan. Vaak wordt geadviseerd dille tussen de rijen te zaaien om zo de luis op afstand te houden. Dat schijnt erg goed te helpen. Maar helaas komt dille bij mij slecht op.

Op tijd de toppen van de bonen eruithalen wil ook helpen. Toch ben ik daar meestal net iets te laat mee. Terwijl ik hoop dat ze nog wat doorgroeien, verschijnt dan toch de eerste luis. Er zit niks anders op: onmiddellijk toppen.

Volgende keer verder, er zijn nog meer peulvruchten.

Oosterse kerstroos (Helleborus orientalis)

De Helleborus

En dan ineens is ze er.
Alle kleur lijkt verdwenen
de laatste blaadjes,
de eerste sneeuw.
Dan laat zij zich zien,
kleuren van waterverf
tegen het wit en het grijs.
Een tere kracht 
in dit donkere seizoen.

Deze winter leek mijn gedicht minder van toepassing omdat de zomerbloeiers maar bleven bloeien, de narcissen al ver boven de grond stonden, en vorst en sneeuw uitbleven. Maar toch, elk jaar ben ik weer blij de Helleborus te zien. Ze herinnert me eraan dat er altijd kleur is, ook al is het nog zo donker.

Oosterse kerstroos (Helleborus orientalis)

De naam kerstroos voor Helleborus niger verwijst direct naar deze vroege bloei. Een andere naam is minder poëtisch: stinkend nieskruid voor Helleborus foetidus. De hier afgebeelde soorten zijn kruisingen van Helleborus orientalis.

Het tijdschrift De tuin in vier seizoenen plaatste in november 2014 een artikel over de Helleborus. Het artikel begint zo: “Boze tongen beweren dat de Helleborus zijn waarde alleen te danken heeft aan het vroege bloeitijdstip, maar als tuinplant verder niet zoveel voorstelt. Bestudering (…) leert iets anders en toont ons een boeiend en variabel plantengeslacht.”

Vervolgens komt een onuitputtelijke hoeveelheid variaties voorbij, met mooie foto’s.

Veel soorten hebben hangende bloemen. Voor het zicht is dat minder mooi en daarom worden er nieuwe soorten gekweekt waarvan de bloemen meer rechtop staan.  Dat oogt mooier, maar voor de plant is dat een nadeel: de hangende kelk houdt de meeldraden en stampers droog. Zouden er zelfs in de winter insecten zijn die stuifmeel of nectar uit de bloem komen halen en zo zorgen voor bestuiving?

Oosterse kerstroos (Helleborus orientalis)

Ik heb mijn Helleborusplanten gewoon gezaaid. Ze zaaien zich ook zelf uit en ze kruisen onderling, dus je weet nooit precies wat je krijgt. Als je per se eenzelfde plant wil dan kun je beter scheuren.

Als je zaad hebt geoogst is het belangrijk om dat zo vlug mogelijk uit te zaaien want de kwaliteit gaat snel achteruit. Het ontkiemen duurt vrij lang: er moet een winter overheen voor de plantjes echt opkomen. Maar eenmaal boven de grond groeien ze hard en zijn ze bijna onverwoestbaar.

Iedereen een kleurrijk tuinjaar gewenst, het begin is er!

Eric en Stien