Pasta met vis, altijd lekker! Een eenpersoonsrecept, waarbij je alleen veel witte wijn overhoudt. Die drink je dan bij de spaghetti om de feestvreugde nog te verhogen. De vis wordt duur betaald – en terecht, want de zee is niet onuitputtelijk. Vervang de kabeljauw daarom eventueel door schelvis, koolvis of wijting.
Benodigdheden (1 persoon):
2 eetlepels olijfolie
1 teen knoflook
1/4 gedroogde chilipeper
125 gram kerstomaten
25 ml droge witte wijn
75 gram spaghetti
10 gram gezouten kappertjes (of op azijn)
zout, peper en suiker
125 gram kabeljauw
bladpeterselie
Verwarm de olijfolie in een ruime lage pan. Plet de knoflook en bak die zachtjes goudbruin. Verkruimel de gedroogde chilipeper erboven en bak even mee. Halveer de kerstomaten. Zet het vuur hoger en voeg de tomaatjes toe. Bak ze 5 minuten, tot ze net zacht zijn en blus ze af met de witte wijn.
Kook ondertussen de spaghettimolto al dente. Spoel de gezouten kappertjes af en voeg ze toe in de pan. Breng de saus eventueel op smaak met zout en peper en een mespuntje suiker als de tomaten, wijn of kappertjes te zuur zijn. Als de ingrediënten goed zijn is dat meestal niet nodig.
Snijd de kabeljauw in 4 grote stukken en stoof ze 2 minuten aan de ene kant. Keer ze dan om en laat nog 1 minuut garen. Hak de bladpeterselie fijn en voeg de helft toe.
Giet de spaghetti af, maar bewaar het kookwater. Doe de pasta bij de saus. Voeg een eetlepel kookwater toe. Zet het vuur hoog en roer alles goed door elkaar. Voeg zo nodig een beetje meer kookwater toe. De vis valt in lamellen uit elkaar, maar dat hoort zo. Serveer met de rest van de peterselie als garnering.
Ik ben dol op sushi, maar dat zie ik eerder als een kunstig hapje. Een poké bowl, of de vegetarische Buddha bowl, heeft vergelijkbare smaken, maar is een lichte en kleurrijke maaltijd of rijstsalade. De culinaire oorsprong van de poké bowl schijnt te liggen in Hawaï, waar vissers de rauwe vis en zeewier verwerkten tot poké, een eenvoudig maaltje. Daar staat de westerse trendy versie ver van af.
Bij een poké bowl kun je helemaal los gaan met je favoriete smaken. De kunst is wel om je te beperken tot zes of zeven toppings. Kies daarbij ingrediënten die contrasteren in kleur, smaak en mondgevoel, zodat je net als bij sushi een aantrekkelijke smaakbeleving creëert. Omdat je eindeloos kunt variëren heb ik er een aantal op een rij gezet die ik graag gebruik:
topping
smaak
textuur
avocado
zoet
zacht en romig
edamame (sojabonen)
zoet en bitter
stevig
garnalen (gebakken)
zout en zoet
stevig en zacht
gember (ingelegd, potje)
zuur
knapperig en vezelig
kip teriyaki
zoet, umami en zout
zacht en stevig
komkommer
neutraal en zoet
knapperig
mango
zoet
zacht en glad
nori (gedroogde zeewiervellen)
umami en zout
krokant
rode ui (ingelegd)
zuur en zoet
knapperig
sesamzaad (geroosterd)
zoet en bitter
knapperig
uitjes (gebakken, potje)
zoet en zout
krokant
wakame (zeewiersalade)
zoet, zout en umami
glad en zacht
wortel (rauw)
zoet
knapperig en vezelig
zalm (rauw en gemarineerd)
zoet, umami en zout
glad
Poké bowl rijst
Benodigdheden (2 personen):
150 gram sushirijst
40 ml rijstazijn
1 theelepel suiker
1/2 theelepel zout
Kook de sushirijst volgens de gebruiksaanwijzing op de verpakking. Verwarm de rijstazijn kort in een pannetje en los suiker en zout al roerend in de azijn op. Sprenkel dit mengsel over de gare rijst en laat verder afkoelen tot kamertemperatuur.
Poké bowl of Buddha bowl wordt extra mooi en lekker met ingelegde rode ui, die je in een handomdraai zelf maakt. De ingelegde ui is ook heerlijk op een salade, broodje hamburger of bij kaas.
Ingelegde rode ui
Benodigdheden:
2 rode uien
100 ml witte azijn
100 ml water
1 eetlepel suiker
peperkorrels
pimentkorrels
Pel de rode uien en snijd ze in heel dunne ringen. Doe ze in een potje. Breng de witte azijn aan de kook met het water, de suiker en peperkorrels en pimentkorrels naar smaak. Giet dit kokende mengsel over de uien en laat minstens een uur trekken om op smaak te komen. De ingelegde rode ui blijft in de koelkast makkelijk een week goed.
Deze pasta is een van mijn nieuwe vegetarische favorieten en bovendien makkelijk te maken. Een bord vol pure en zonnige smaken van aubergine, tomaat en ricotta. Dit traditionele Siciliaanse gerecht ontleent zijn naam blijkbaar aan de opera Norma van Vincenzo Bellini, die uitzonderlijk populair was in de 19e eeuw. Een echt meesterwerk!
Benodigdheden (2 personen):
1 aubergine
2 theelepels zout
125 gram ricotta
3 1/2 eetlepel olijfolie
2 tenen knoflook
stukje gedroogde chilipeper
1 blik tomatenblokjes of fijngehakt (polpa)
een snufje suiker
150 gram spaghetti
een handje basilicum
Snijd de aubergine in de lengte in plakken van ongeveer een halve centimeter. Doe de plakken in een vergiet en bestrooi ze met het zout. Laat zo 30 minuten staan, zodat het vocht er uit trekt. Verwarm ondertussen de oven voor op 200 graden Celsius. Stort de ricotta op een met bakpapier beklede ovenplaat en bak deze ongeveer 30 minuten.
Knijp de aubergineplakken een voor een uit. Bak ze in één of twee delen in een koekenpan in 2 eetlepels olijfolie goudbruin. Dit duurt ongeveer 10 minuten, op halfhoog vuur. Keer de plakken halverwege en laat ze daarna uitlekken op keukenpapier.
Verwarm de overige 1 1/2 eetlepel olijfolie in dezelfde koekenpan. Snijd de knoflook in grove stukjes en laat deze 30 seconden smoren. Voeg ook de fijngemaakte gedroogde chilipeper naar smaak toe. Er moet iets van pit in, maar pas op dat de chilipeper niet alle fijne smaken overheerst. Ik ga uit van ongeveer 1/3 pepertje. Voeg de tomatenblokjes of polpa toe en laat het geheel in 10 minuten op middelhoog vuur indikken tot een saus. Voeg naar smaak een theelepeltje suiker toe als de tomaten te zurig zijn.
Kook de pasta (in dit geval spaghetti) al dente in water met zout. Snijd ondertussen de aubergineplakken in grove stukken. Giet de pasta af, maar bewaar een kopje van het kookvocht. Meng de pasta met de tomatensaus en de aubergine. Als de saus onvoldoende hecht aan de pasta voeg je een scheutje van het kookwater toe, totdat het geheel glanst en smeuïg is. Bestrooi met basilicum en breek de ricotta in stukken erboven. Eet smakelijk!
De Indiase keuken kent ook gerechten die niet per se heel heet zijn. Zoals deze kruidige spinazieschotel met paneer kaas. Het is altijd een van mijn favorieten als ik moet kiezen in een Indiaas restaurant. Ik durf te beweren dat mijn eigen versie nog lekkerder is geworden. Serveer het met basmati rijst of een naan platbrood.
Benodigdheden (1 persoon):
75 gram paneer kaas
1/2 theelepel kurkuma
1/2 theelepel chilipoeder
1/2 theelepel zout
1 theelepel olie
2 eetlepels olie
1 kleine ui
1/4 rode peper
3 tenen knoflook
1 stukje gember (ter grootte van een duim)
1 theelepel komijnzaad
1/2 theelepel kurkuma
1/2 theelepel garam masala (optioneel)
1/2 theelepel zout
250-300 gram verse spinazie
2 eetlepels volle yoghurt
Snijd de paneer in plakken van ongeveer 1 centimeter en prik deze aan beide kanten in met een vork. Snijd de plakken in gelijke blokjes. Roer kurkuma, chilipoeder en zout met 1 theelepel olie tot een marinade en roer de blokjes paneer erdoor. Laat even intrekken (dit kan ook een dag van tevoren).
Verhit de olie in een grote koekenpan. Bak de blokjes paneer rondom goudbruin op middelhoog vuur. Pas op dat ze niet te hard gaan en verbranden. Snipper ondertussen de ui, rode peper en knoflook en rasp de gemberwortel. Schep de blokjes paneer uit de pan en laat ze uitlekken op keukenpapier.
Bak eerst de ui en het komijnzaad wat aan in de achtergebleven olie. Voeg gember, rode peper, knoflook, kurkuma, (eventueel garam masala) en zout toe en bak dit mengsel in 10 minuten geelbruin op laag vuur. Voeg dan telkens een volle hand spinazie toe in de pan en laat de spinazie op hoog vuur slinken. Zorg ervoor dat het meeste vocht uit de spinazie verdampt is.
Doe het spinaziemengsel over in een blender of foodprocessor en geef het een paar korte slagen. De spinazie moet nog wat structuur houden. Doe het mengsel terug in de koekenpan en meng er lepel voor lepel de yoghurt door. Breng de saag zonodig op smaak met extra zout. Serveer in een diep bord met de paneerblokjes er bovenop.
Tips: je kunt er nog een lepel room of crème fraîche doorheen roeren, maar dat maakt de paneer wel extra zwaar. Als je van fris en iets scherper houdt is wat citroensap ook lekker.
Dit vegetarische gerecht zit bomvol fijne smaken. Het geheim is het roosteren dat alle smaken intensiveert. Denk er aan om minstens 4 uur de labneh – een soort gezouten hangop – voor te bereiden.
Benodigdheden (2 personen):
200 gram Turkse of Griekse yoghurt
1/2 theelepel zout
schone theedoek of kaasdoek
200 gram pastinaak
1 eetlepel olijfolie
2 theelepels za’atar*
30 gram ongezouten en ongebrande pecannoten
200 gram groene asperges of aspergetips
3 gram dille
2 theelepels ahornsiroop
peper
Roer de yoghurt los met het zout. Schep de gezouten yoghurt in een schone thee- of kaasdoek en leg deze in een zeef. Laat de yoghurt minstens 4 uur uitlekken boven een kom of pan tot een stevige labneh.
Verwarm de oven voor op 190 graden. Schil de pastinaak (ik doe dat met een kaasschaaf) en snijd ze in de lengte in kwarten, grote pastinaken in zessen. Meng de pastinaak met 1 eetlepel olijfolie en de za’atar*. Verdeel over een bakplaat, eventueel bekleed met bakpapier, en rooster ongeveer 30 minuten in de oven.
Rooster ondertussen de pecannoten in een droge koekenpan op een lage stand gedurende 10 minuten. Zorg dat de noten niet verbranden en laat ze in de pan afkoelen. Door het roosteren worden de pecannoten voller van smaak en heerlijk krokant.
Schil de onderkant van de groene asperges. Snij de toppen eraf en snijd ze in de lengte in tweeën en vervolgens in stukken van ongeveer 10 centimeter. Voeg de aspergestukken de laatste 10 minuten bij de pastinaak in de oven. Als je aspergetips gebruikt heb je geen snijwerk en voeg je ze de laatste 5 minuten bij de pastinaak in de oven.
Verdeel de labneh over twee borden. Verdeel de pastinaak en asperges erover. Bestrooi met pecannoten en grof gesneden dille. Besprenkel elk bord met 1 theelepel ahornsiroop en maal er wat peper overheen.
Lekker met geroosterd stokbrood of pitabrood.
*Za’atar is een kruidenmengsel dat gemaakt wordt met een wilde soort oregano. Een goed gesorteerde supermarkt heeft het op de kruidenafdeling, maar als je sumak in huis hebt kun je het ook namaken door de volgende ingrediënten te mengen:
Als gezond ontbijt eet ik graag volle yoghurt zonder suiker, met vers fruit en zelfgemaakte krokante muesli. In die van mij zitten extra veel noten en zaden. In cruesli uit de super zit veel toegevoegde suiker. Het zelf maken van granola is een leuk en dankbaar werkje. En met de (eventueel biologische) ingrediënten die je kiest heb je alles zelf in de hand. Het resultaat is altijd een groot succes en ook leuk om cadeau te geven.
Verwarm de oven voor op 170 graden. Hak de gemengde noten, bijvoorbeeld met een keukenmachine. Hou je van grove stukken noot, hak dan kort met slechts enkele pulsen. Ik hou van fijne stukjes die zich goed verbinden met de havervlokken. Soms wil een enkele noot niet echt stuk. Die vis ik er dan nog even uit en hak ik apart.
Meng de droge ingrediënten in een grote kom: gehakte noten, havermoutvlokken, sesamzaad, zonnebloempitten, pompoenpitten, kaneel en zout. Warm en roer de kokosolie en de ahornsiroop enkele minuten in een steelpan, totdat de caramelgeur van de ahornsiroop vrijkomt. Olie en siroop mengen niet echt goed, maar dat is geen probleem. Giet het mengsel bij de droge ingrediënten en schep heel goed door.
Bekleed een bakplaat met een vel bakpapier. Het bakpapier blijft beter op zijn plek als je hier en daar op de bakplaat een klein beetje boter smeert. Verdeel het mengsel gelijkmatig met een spatel over de bakplaat. Bak in ongeveer 25 minuten in het midden van de oven. Elke oven is anders dus hou in de gaten dat het niet te hard gaat. Meestal begint de kaneel na 15 minuten te geuren en is een extra 10 minuten dan precies goed.
Laat de granola in de geopende oven helemaal afkoelen voordat je het in een pot overdoet. Het blijft meerdere weken, zo niet een maand goed in een afgesloten pot.
Variaties:
Voeg na de bereiding geroosterde kokosvlokken toe.
Voeg na de bereiding stukjes gedroogd fruit toe, zoals rozijnen, cranberry’s of abrikozen.
Vervang een deel van de kaneel door koek- of speculaaskruiden.
Een zeer stevige en kruidige tulband tjokvol gedroogd fruit. Een beetje zoals de traditionele Engelse Christmas pudding, alleen niet langzaam gestoomd maar gebakken. Ook de overdaad aan alcohol ontbreekt.
Ik kreeg het recept jaren geleden via mijn vriendin Stien den Braber en het is sindsdien een kerstfavoriet.
Benodigdheden:
400 gram rozijnen
3 eetlepels sinaasappellikeur
200 gram gedroogde abrikozen
50 gram stemgember (op siroop)
150 gram boter
150 ml melk
3 eetlepels stroop
4 eetlepels honing
extra boter om in te vetten
225 gram zelfrijzend bakmeel
1 eetlepel koekkruiden
2 eieren
75 gram walnoten
poedersuiker
Week de rozijnen een paar uur of een nacht in de sinaasappellikeur. Snijd de gedroogde abrikozen in stukjes en de stemgember in fijne stukjes. Verwarm de rozijnen, abrikozen, gember, boter, melk, stroop en honing zachtjes in een pan. Laat de massa al roerend 5 minuten sudderen. Laat het daarna iets afkoelen. Dit duurt ongeveer een half uur.
Verwarm de oven voor op 150 graden. Vet ondertussen de tulbandvorm rijkelijk in met boter. Zeef zelfrijzend bakmeel en koekkruiden boven een grote kom. Voeg voor meer luchtigheid eventueel een extra theelepel bakpoeder of baking soda toe. Klop de eieren los en roer die door het bakmeel. Hak de walnoten grof en roer die er ook door. Schep tenslotte het vruchtenmengsel erdoor. Zodra alles goed gemengd is stoppen met roeren en het mengsel in de bakvorm doen.
Bak de tulband in het midden van de oven gedurende 90 minuten gaar. Als de tulband te donker dreigt te worden kun je hem aan de bovenkant afdekken met aluminiumfolie. Haal de tulband na 10 minuten afkoelen voorzichtig uit de vorm en laat hem afkoelen op een rooster. Bestrooi de tulband voor het serveren met poedersuiker.
De tulband blijft verpakt in folie minstens 2 weken goed. Na een paar dagen wordt de smaak zelfs nog wat beter. Ik eet graag een plakje besmeerd met wat boter. Die boter is niet echt noodzakelijk, want de tulband is een en al smaak.
Variaties:
Vervang (een deel van) de abrikozen door stukjes appel.
Vervang de gember door gehakte sukade.
Vervang een deel van de rozijnen door gedroogde cranberries. Die zijn gesuikerd, dus je voegt wel stiekem meer suiker toe.
Laat de walnoten achterwege als je niet van noten houdt.
Als je een eenvoudig maaltje wilt met een Indonesische twist, dan is dit het aangewezen recept. Behalve de taugé en het gehakt zijn alle ingrediënten wat mij betreft standaard keukenvoorraad. Het ziet er niet spectaculair uit, maar het is gezond, superlekker en snel klaar.
Bij mij thuis is dit recept van gehakt met taugé al jarenlang een traditional. Een dikke veertig jaar geleden deed ik een cursus boekbinden. De twee kleine dummy’s die ik maakte bestemde ik als receptenboekjes, die nu inmiddels onder de vlekken zitten en uit elkaar beginnen te vallen.
Laatst vroeg iemand of mijn stijl van koken in vergelijking met toen erg veranderd is. Ik dacht van niet, maar bij nadere beschouwing: zeker wel! Als jonge student gebruikte ik veel meer zakjes en pakjes, at ik meer vlees of maakte ik rare combinaties van vlees met tomatenpuree en een blik perziken. Tegenwoordig kies ik vaker voor puur en gezond. Maar de gehakt met taugé, die blijft!
Benodigdheden (3 personen):
2 uien
1 eetlepel boter
4 tomaten
2 tenen knoflook
2 theelepels bouillonpoeder of verkruimeld bouillonblokje
2 theelepels sambal oelek
2 eetlepels ketjap manis
300 gram gehakt (halfom of rund)
300 gram taugé
Snipper de uien en bak ze 2 minuten aan in de boter. Dompel de tomaten een halve minuut in een pannetje met kokend water, ontvel ze en snijd ze in stukjes. Pers de knoflook uit boven de uien en voeg achtereenvolgens toe: bouillonpoeder, sambal oelek, ketjap manis, gehakt en de stukjes tomaat. Laat dit alles circa 5 minuten stoven en het gehakt garen.
Was de taugé in een vergiet en warm deze kort mee met de rest. De taugé moet wat knapperig blijven.
Serveer met witte (pandan)rijst en plakjes komkommer en extra sambal en ketjap aan tafel. Lekker met kant en klaar gebakken uitjes of seroendeng.
Zeg winter en ik denk stoofpeertjes. Er is weinig dat de geuren en smaken van december zo goed vertegenwoordigt als dit recept van stoofpeertjes met rode wijn, kaneel, gember, sinaasappel en anijs. Een beetje zoals de warme geuren van glühwein. Makkelijk te maken of in te maken. En goedkoop, want het bespaart je de aanschaf van een dure geurkaars of geurzakje.
Benodigdheden:
10-12 kleine stoofperen (Gieser Wildeman)
500 ml rode wijn
200 gram suiker
1 kaneelstokje
1 stukje steranijs
1 stukje verse gember (2cm)
1/2 sinaasappel
Schil de stoofpeertjes, verwijder het klokhuis en snijd ze in gelijke kwarten. Dit verkort de kooktijd en zorgt ervoor dat ze straks in de potjes passen (voor als je de peertjes wilt inmaken en langer bewaren).
Doe de peertjes in een kookpan. Giet de rode wijn erbij. Voeg de suiker toe, het kaneelstokje en de steranijs. Schil de gember, snijd deze in plakken en voeg toe. Boen de sinaasappel goed schoon onder de kraan. Snijd de helft in dikke plakken en voeg toe. Breng de inhoud van de pan, met het deksel erop, aan de kook.
Na 45 tot 60 minuten zijn de peertjes voldoende gaar. Gebruik die tijd om 3 of 4 potten met schroefdeksel schoon te spoelen met een beetje soda en kokend water. Spoel potten en deksels goed na met alleen kokend water en laat ze omgekeerd uitlekken op een schone theedoek. Zorg dat de potten nog heet zijn als je de stoofpeertjes erover verdeelt (verwijder de sinaasappelschijven en de specerijen). Breng dan de siroop nog even vol aan de kook en vul hiermee de potten af tot aan de rand. Schroef de deksels erop en laat ze omgekeerd op de theedoek afkoelen.
Als het deksel na afkoelen iets hol staat, dan is de pot goed vacuüm getrokken. Op deze manier ingemaakt blijven stoofpeertjes maanden tot wel een jaar lang goed.
Het basisrecept voor zelf jam maken is reuze simpel. De volgende recepten gaan steeds uit van 1 kilo fruit en 500 gram suiker. Je maakt dus een half zo zoete jam die na opening in de koelkast bewaard moet worden.
Het tovermiddel is pectine, wat zorgt voor voldoende stevigheid en een korte kooktijd. Ik gebruik hiervoor Marmello Jammaker Nr. 2 , dat tegenwoordig wat minder makkelijk te verkrijgen is. Je kunt ook geleisuiker speciaal gebruiken, maar dan heb je niet de vrije keuze om andere (of minder) suiker te gebruiken. Met los pectinepoeder kan dat wel.
Benodigdheden (3-4 potjes):
1 kilogram schoongemaakt fruit
400 tot 500 gram ruwe rietsuiker
1 zakje Marmello Jammaker Nr. 2
4 (jam)potjes (370 gram)
soda (fijn of grof)
theedoek
Algemene bereiding:
Doe het fruit – volgens recept heel of in stukjes – met eventuele andere ingrediënten in een ruime pan.
Meng de rietsuiker met de pectine of gebruik geleisuiker speciaal.
Voeg de suiker toe aan het fruit en breng alles aan de kook.
Strooi ondertussen een beetje soda in de potjes en deksels en vul ze met kokend water. Draai ze om en laat ze uitlekken op een schone theedoek. Herhaal dit met schoon kokend water, vlak voordat je de potten gaat vullen.
Zodra de fruitmassa kookt en na roeren blijft koken: 1 minuut door laten koken.
Verwijder eventueel de bovenste laag schuim van de fruitmassa.
Doe de kokend hete massa met een pollepel over in de potjes. Vul tot helemaal bovenaan de rand.
Sluit de potten direct af en laat ze, omgekeerd op de theedoek, afkoelen.
De jam is het beste op smaak na een paar weken.
Lekkere en beproefde combinaties:
Aalbessenjam 1 kilo aalbessen
Aardbeienjam 1 kilo aardbeien + 1 uitgeperste citroen
Abrikozenjam 1 kilo abrikozen, ontpit, gehalveerd en in stukjes + 1 uitgeperste citroen + 3 gekraakte pitten (in thee-ei)
Ananasjam 1 kilo ananas in kleine stukjes + 1 uitgeperste citroen
Bananenjam 1 kilo bananen in schijfjes + 3 uitgeperste sinaasappels + 1 opengesneden vanillestokje
Blauwe bessenjam met limoen 900 gram blauwe bessen + 3 schoon geboende limoenen (rasp en sap)
Mangojam 1 kilo mango in stukjes + 2 uitgeperste citroenen. De mangopitten meekoken.
Morellenjam 1 kilo ontpitte morellen + 2 uitgeperste citroenen. Een handvol pitten meekoken in een thee-ei of kaasdoek.
Perzikenjam met kruiden 1 kilo perziken (of nectarines) + 1 uitgeperste citroen + 1 kaneelstokje + 1 theelepel koek- of speculaaskruiden + 4 kruidnagels + enkele gekraakte pitten (in thee-ei)
Pruimenjam met kruiden 1 kilo ontpitte pruimen + 1/2 opengesneden vanillestokje + pijpje kaneel + 3 kruidnagels + 4 gekraakte pruimenpitten (in thee-ei). Laat alles met de suiker een nacht in de koelkast trekken, voordat je het opkookt.
Rabarberbananenjam 650 gram rabarber in stukjes + 350 gram bananen in schijfjes + rasp en sap van 1 citroen
Rabarberjam met gember 1 kilo rabarber in stukjes + 3 centimeter gember, geraspt + 115 gram stemgember op siroop, in stukjes + 50 ml sinaasappelsap
Vijgenjam met noten 800 gram vijgen in stukjes + 3 eetlepels gehakte walnoten + 2 eetlepels pijnboompitten + 1 theelepel sesamzaad + 1 theelepel anijszaad + 1 uitgeperste citroen. Rooster walnoten, pijnboompitten en sesamzaad in een droge koekenpan en voeg op het laatst het anijszaad toe. Laat alles met de suiker een nacht in de koelkast trekken, voordat je het opkookt.
Vlierbloesemjam Zet 10 grote schermen gewassen vlierbloesem een nacht onder water. Snijd van 5 sinaasappels de partjes (zonder vliesjes) in stukjes en vul dit met het vlierbloesemwater aan tot 850 ml