Beth Chatto Drought-resistant planting

Beth Chatto’s droogtebestendige gravel garden

Als het gaat om droogte-resistent tuinieren heeft Beth Chatto haar naam gevestigd. In 1991, toen klimaatverandering nog veel minder de aandacht had dan nu, begon zij op de zanderige en stenige grond van een voormalig parkeerterrein met de aanleg van een grindtuin. De planten in de gravel garden werden, behalve bij aanplant, nooit bewaterd. De natuurlijke neerslag moest het werk doen. En die regen is in East Anglia, een van de droogste gebieden van Engeland, niet veel. Zo bouwde Beth Chatto een rijke ervaring op met planten die écht tegen droogte kunnen, en het is die ervaring die ze deelt in Drought-resistant planting.

Nu zijn de successen van Chatto’s tuin niet altijd direct te verwerken in een Nederlandse tuin, en de schrijfster zelf haast zich om dat toe te geven: de bodem is nooit hetzelfde, de ligging is meer of minder open en het (micro-)klimaat is anders. Zo is in Nederland vooral het voorjaar vaak droog, maar valt er in East Anglia juist zomers nauwelijks regen. Vorst komt daar ook minder voor, terwijl het juist de combinatie is van nattigheid en tijdelijke strenge vorst die in winters Nederland planten de das om kunnen doen.

Hoewel de bodem in de gravel garden arm en stenig is wordt er veel aandacht besteed aan de voorbewerking: de grond wordt diep losgewoeld en er wordt een vruchtbare teeltlaag aangebracht. In het eerste jaar wordt er regelmatig onkruid gewied, zodat na een jaar, als de planten zich goed hebben gezet, een mulchlaag opgebracht kan worden. In het zicht is dat grind, achterin de borders en tussen hogere begroeiing wordt het stro.

Chatto heeft het boek geschreven in 1998 en schildert een tuinjaar in seizoenen, veranderingen die ze aanbrengt en combinaties die haar bekoren. Deze notities worden afgewisseld met plantportretten van bijvoorbeeld kievitsbloemen, wolfsmelk, sieruien, clematis en sedums, niet altijd planten waarvan je verwacht dat ze het goed doen in droge omstandigheden. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de scree garden, een uitbreiding waar ze in 1997 aan begint. Het is een plan met vijf eilandbedden waarin ze lagere droogteminnende planten zet die in de gravel garden overgroeid dreigen te worden.

Door haar prettige, soms bijna poëtische schrijfstijl, en met de illustratieve foto’s van Steven Wooster wordt Drought-resistant planting een fijn lees- en kijkboek. Wat me het meest is bijgebleven is hoe ze de mijmering aanraakt, het tijdloze genieten, dat een tuin teweeg kan brengen. Qua humor of uitgesproken mening legt ze het misschien af tegenover die andere grootheid uit de Engelse tuincultuur: Christopher Lloyd. Die twee hebben elkaar leren kennen nadat Beth Chatto hem een brief schreef over de bruikbaarheid van schoenlappersplanten, een plant waar Christo “geen tijd aan wilde besteden”.

Beth Chatto is in 2018 overleden, op 94-jarige leeftijd. Ik ben blij dat ze mij nog een rondleiding door haar tuin heeft gegeven tijdens mijn allereerste tuinreis naar Engeland. Jammer dat dit boek (nog) niet vertaald is in het Nederlands. Terwijl haar kennis en ideeën zo bruikbaar zijn voor de steeds warmere en drogere omstandigheden waar we de laatste jaren mee te kampen hebben.

Drought-resistant planting : lessons from Beth Chatto’s gravel garden / Beth Chatto ; photo’s by Steven Wooster. – [London]: Frances Lincoln, 2016. – 192 p. – ISBN 978-00-7112-3811-4.

Romke van der Kaa, die andere tuinboekenschrijver, tekende een heel mooi afscheidsportret op.

Zuidelijke boomsprinkhaan (Meconema meridionale)
Afbeelding

Sprinkhaan-gevaar

Als je op je hurken wiedt zie je nog eens wat. Had ik het laatst nog gekscherend over een sprinkhanenplaag van bijbelse omvang, sta ik oog in oog met zo’n beest: antennes langer dan zijn lichaam, stevige kaken en een gespierd onderstel waar je U tegen zegt. Ik denk dat het de Zuidelijke boomsprinkhaan is, ofwel Meconema meridionale, als ik op de soortzoeker kijk en vergelijk. Gelukkig niet groter dan een paar centimeter.

Papaver orientale 'Mrs. Perry' (Oosterse klaproos)

Papaver orientale ‘Mrs. Perry’ (Oosterse klaproos)

Amos Perry (1871 -1953) kweekte de eerste Oosterse papaver die niet grof en feloranje was in zijn Enfield Nursery. Hij selecteerde een zalmroze zaailing uit een veld met duizenden oranje papavers en noemde die ‘Mrs. Perry’ naar zijn eerste vrouw Nancy. Toen ‘Mrs. Perry’ in 1906 werd gelanceerd, veroorzaakte het een sensatie.

Perry wilde echter een witte Oosterse papaver kweken, en dat lukte hem steeds niet. Op een dag kreeg hij een woedende brief van een klant die klaagde dat haar perzikkleurige ‘Mrs. Perry’ een dikke, lelijke witte papaver was. Een briefwisseling volgde en uiteindelijk ging Amos Perry -die zijn klanten zeer waardeerde- op weg om zijn strijdlustige klant te kalmeren met enkele ‘Mrs. Perry’-planten onder zijn arm. Hij was verheugd om zijn onbereikbare witte Oosterse klaproos in haar tuin te zien groeien. De papaver werd opgegraven en verscheen in 1912 als ‘Perry’s White‘.

Er zijn meerdere overleveringen van dit verhaal. In een andere versie is de klaagster een man, het zoenoffer een bos rode crocosmia’s en het jaar dat het allemaal begon 1913. Maar de strekking is duidelijk: wat een doorn in het oog is voor de een, is een godswonder voor een ander.

Amos Perry ontving talloze onderscheidingen voor nieuwe hybriden van onder andere irissen, klaprozen, geums, heucheras, delphiniums, floxen en asters. Er bestaat ook een Achillea ptarmica ‘Perry’s White’ (Hemdsknoopje).

Meer lezen: Best oriental poppy varieties

Planten voor droogte

De Grote Droogte

Verbascum (Toorts), Stipa tenuissima (Vedergras) en Stachys byzantina (Ezelsoor, op de achtergrond): drie soorten die het goed doen in zeer droge omstandigheden.

Is het jou ook opgevallen dat sinds de komst van het coronavirus in maart de zon zo lustig schijnt? Alsof de natuur wil zeggen: “Oké, je slijt je dagen misschien ingeperkt of in thuisquarantaine, maar ik geef je in ruil mijn helderste licht. Zodat je ziet wat er al is, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.”

Hier in Oosterhout, in westelijk Brabant, voelde het soms als vakantie aan huis. Nu heeft mijn woning wel iets weg van een Landal bungalow, voorzien van alle gemakken en een terras met weids uitzicht aan de achterkant. Onbetaalbaar eigenlijk, en niet alleen in het hoofdseizoen. Dat ik dit in bruikleen heb is echt heel bijzonder.

Droog, droger, droogst…

De keerzijde van al die zonneschijn is dat het watertekort in mijn tuin schrijnend oploopt. Het voorjaar is meestal het droogste seizoen, dit jaar is het extreem droog. De KNMI maakt prachtige kaarten van de neerslag per locatie: in april en mei samen was het een schrale 15 millimeter waar het gemiddeld 110 moet zijn. Dreigender nog is de grafiek van het neerslagtekort in 2020: daarin streven we het tot nu toe droogste jaar ooit gemeten voorbij.

Ik zit niet te wachten op dit soort records. Gilze-Rijen, acht kilometer verderop, brak vorig jaar juli nog het warmterecord met 40,7 graden. Op hogere zandgronden, ofwel klapzand, wordt de aarde woestijnstof als ik niet ingrijp. Na de eikenprocessierups, het coronavirus en de extreme droogte… straks neemt het bijbelse proporties aan en krijgen we die woestijnsprinkhanen uit Afrika ook nog.

Drie droge jaren op een rij: het dwingt mij wel om anders te kijken naar mijn buitenruimte in dit ‘gematigd’ klimaat. Eerder verzuchtte ik al dat het van tuinieren soms een labeur maakt. Je begrijpt waarom de gewone man liever een crematoriumtuin aanlegt met grind, of alles betegelt. Mijn buurman met zijn kunstgras hoeft er maar één keer per jaar de hogedrukspuit op te zetten.

Hoe maak je een slim-met-water-tuin?

Begrijp mij goed, ik wil nog niet ruilen. Maar een overheid die bij burgers aandringt om aan beter waterbeheer te doen door de tuin te vergroenen en een waterbuffer op te slaan, sluit zijn ogen voor de praktische realiteit. Ik heb een fraaie waterzuil voor maar liefst 400 liter: leeg sinds maart. Dus gaan tientallen liters goed leidingwater de tuin in, bijna dagelijks.

Voor gemeenteraden, provinciebesturen en waterschappen staat goed waterbeheer in tuinen vast niet hoog op de agenda, zoveel problemen als er nu al zijn. Maar mijn advies is: werk samen met particulieren, gebruik hun ervaringen, stimuleer oplossingen, informeer. En vooral dat laatste is belangrijk: mensen wijzer maken. Brabant Water doet een poging: “Kies voor planten in een tuin die minder water nodig hebben.” Zoals? Hoe?

P.S. Margo Gelten heeft een heel aardig blog over tuinieren op zandgrond.

Geum 'Totally Tangerine' (Nagelkruid)
Afbeelding

Geum ‘Totally Tangerine’ (Nagelkruid)

Geum ‘Totally Tangerine’ is een vrij recente introductie. Een wat hoger bloeiend, licht oranjekleurig nagelkruid, dat alle aandacht waard is. Gezond blad en een bloei die start in april en makkelijk doorgaat tot in augustus. Hier in een lekker fauvistische kleurencombinatie met het lila van Nepeta ‘Six Hills Giant’ (Kattenkruid). Ik heb er ook nog roodpaarse Allium aflatunense’Purple Sensation’ (Sierui) tussen geplant.

Bloesem

Traag genieten

In The Time Machine, de film uit 1960, zit een scène die ik altijd als horror heb beschouwd: de uitvinder reist naar de toekomst. Dag en nacht wisselen elkaar af in ijltempo, nieuwe maan wordt volle maan, wordt afnemende maan, lente wordt zomer, herfst, winter, en jaar volgt op jaar. In een oogwenk botten planten uit, groeien, bloeien, verwelken, en opnieuw en opnieuw. Bomen groeien tot volwassenheid in een ademtocht en sterven net zo snel.

Het is een filmscène die met een andere kijk fascinerend genoemd kan worden. Maar voor mij gaat het over vergankelijkheid en een voortschrijden van de tijd die onmenselijk is. Als tuinier zou je soms willen dat het groeien wat sneller gaat. Maar nee, liever niet, niet zo! In het plannen -soms over de jaren- in het wachten en het uitproberen en in de gestadige cyclus van groei, bloei en bederf zitten de creativiteit en de beloning.

Wisteria sinensis 'Prolific' (Blauwe regen)

 

De coronacrisis heeft zoals elke crisis meerdere gezichten. Sinds half maart werk ik gedwongen thuis en beleef ik mijn huis, tuin, straat vaker en op andere tijden dan normaal. Zo sensitief maakte ik de lente niet eerder mee: het gonzen van de eerste hommel, het dansen van de narcissen in de wei, de zoete geur van de blauwe regen, het zachte druppen van blad naar blad als het echt regent… Maar ook de ronkende compressor van de buurman die zijn kunstgras schoonspuit.

Het is een luxe om stil te mogen staan in het moment of in het detail, en dat ‘kleine ontdekken’ maakt me gelukkig. Het is een kinderlijke manier van waarnemen bijna. Vertragen is een manier om de hectiek, de zorgen en de vergankelijkheid voor even te ontvluchten. Een frisse en verwonderde blik, helemaal in het nu. Als ik daar iets van vasthoud, later, als wij weer vooruit razen met zijn allen, dan zou dat prachtig zijn.

Video

De spinselmot

Een spookachtige verschijning is het: een boom die van top tot teen is ingepakt in witte, spinnenweb-achtige draden van de spinselmot of stippelmot. Dit weekend zag ik het in het Amsterdamse Park Frankendael. Daar worden elk jaar alleen de kardinaalsmutsen volledig gemummificeerd. Het spinsel biedt bescherming tegen vogels. Daaronder zag ik de rupsen rondkruipen en alles kaal vreten.

De spinselmot is evenals de buxusmot een exoot. Met het verschil dat de plant in dit geval later in het jaar weer gewoon in het blad kan komen en overleven.

Aster lateriflorus 'Horizontalis'

De Chelsea chop

Vandaag is de Chelsea Flower Show begonnen. De BBC besteedt een week lang aandacht aan deze beroemde bloemen- en plantenshow in Londen. Met Chelsea, na de IJsheiligen, is het tijd voor het terugknippen van bepaalde vaste planten in de tuin, zodat ze – met enige vertraging – rijker bloeien en steviger staan.

De actie is simpel en rigoureus. Knip ongeveer de helft van de frisse, nieuwe scheuten af. Dat kan prima met een heggenschaar. Ik gebruik een snoeischaar, met het idee dat ik dan natuurlijker geamputeerde planten overhoud. Maar dat is slechts een idee. Knip desgewenst meer op standplaatsen waar je de planten lager wilt houden en minder waar het tuinbeeld wilder en losser mag worden.

The Chelsea chop
The Chelsea chop toegepast bij Aster lateriflorus ‘Horizontalis’

De stelen gaan zich op de snijvlakken opnieuw vertakken en zo ontstaat een bossige plant.  Het grote effect van wat terugknippen kan doen zie je soms terug bij moerplanten, de planten die kwekerijen gebruiken voor het snijden van hun stekgoed. Zo zag ik bij De Hessenhof ooit een zeer compacte en intens purper bloeiende Eupatorium (Koninginnekruid). De bijzondere conditie van de moerplant was deels te danken aan het gebruiksdoel.

Aster lateriflorus ‘Horizontalis’ heeft best een eigenaardige groeivorm. In het voorjaar is het een conisch gevormde bos met donkergroen, sappig blad. Niet echt fraai. In de zomer krijgt de plant langere scheuten met opvallend kleine, bijna zwarte blaadjes. Door je oogharen gezien lijkt de plant dan een beetje op heide. De plant blijft vanaf dat moment lang aantrekkelijk en in bloei is dat ook zeker het geval voor insecten.

Een andere plant die ik in mijn tuin terugknip is scharnierbloem, Physostegia virginiana ‘Summer Snow’. Die heeft de neiging om anders met de bloei wat voorover te vallen.

Voor de Chelsea chop lenen zich eigenlijk alle vaste planten die hun hoofdbloei na de langste dag hebben. Je kunt de knip ook bewust gebruiken om de bloei te vertragen tot na je vakantie. Hoe dichter je tegen de bloeitijd snoeit, hoe groter de vertraging. Dan gaat de schaar er in voordat je je koffers pakt en kom je terug in een tuin die nog in knop staat. In dat geval knip je dus niet nu, maar pas over een maand of wat.

De Chelsea chop is gewoon een anker voor je geheugen, geen ijzeren wet. Zoals de juiste tijd voor het snoeien van lavendel. Mijn tuinvriendin Gerda Smink zegt altijd: “Op 11 april, om 11 uur ’s ochtends, zo ver als je durft. Én kalk geven!” Zij en ik, wij mogen hier altijd smakelijk om lachen.

In andere maanden zijn er weer andere redenen om soms heftig de snoeischaar te gebruiken. Daarover schrijf ik een volgende keer.