buxus

Mot met de buxus

De palmtak heeft het moeilijk in Nederland. Als kind kreeg ik met Palmpasen een takje buxus mee naar huis. Dat werd door mijn moeder achter het kruisbeeld gestoken, waar het in de volgende maanden verdroogde en vergeelde. Sinds die tijd is Buxus sempervirens een modeplant geworden. De populariteit van de plant groeide exponentieel, terwijl de traditie van de palmtak in het steeds minder kerkelijke Nederland afnam.

Nederland staat vol met buxus, in de vorm van haagjes of gesnoeide bollen. Rijtjeshuizen met parterretuintjes, strakke vakken met daarin al dan niet geslaagde kleurrijke beplantingen. Want de buxus is groen, altijd groen. Dachten we.

Schimmels

De ellende begon enkele jaren geleden al met de schimmelinfecties. Dat zijn er twee: Volutella buxi en Cylindrocladium buxicoli. De eerste zorgt voor bruinverkleuring en afsterving van de topscheuten, de tweede richt een slachting aan met zwartverkleuringen en massale bladval in de hele plant, binnen enkele dagen.

Ik moet lachend denken aan hoe presentator Monty Don in Gardener’s World beweerde dat zijn planten gezond zouden blijven. Hij had de hele aangetaste bovenkant van zijn hagen weggesnoeid. We hebben nog een aantal tv-seizoenen tegen de kaal blijvende takken aangekeken, maar uiteindelijk gaf hij zijn verkeerde inschatting toe.

De schimmels zijn alleen te bestrijden door te spuiten met nogal zware chemische middelen. En dat spuiten moet regelmatig herhaald worden.

De buxus is van nature een ijzersterke plant. Tijdens mijn wandelreizen in Zuid-Frankrijk staan de bergflanken er mee vol. Goed in felle zon, schrale wind, kalkrijke grond en langdurige droogte. Onze Noord-Europese tuintjes zijn toch te benepen en vochtig, kweekvijvers voor schimmels met mooie namen.

Motten

Maar we zijn er nog niet: sinds kort hebben we de buxusmot. Die legt zijn eitjes op de blaadjes en de rupsen eten in korte tijd de plant kaal. Ik heb het in mijn eigen tuin zien gebeuren, want ik had een grote en een kleine buxusbol in mijn voortuin, geërfd van de vorige bewoner. Ik was gehecht aan die grote en kleine, twee mooie bollen langs het tuinpad. Ik ga er automatisch mensen in zien of verhalen bij maken.

buxus rups, Cydalima perspectalis
De rups van de buxusmot, Cydalima perspectalis

Op het moment dat ik de aantasting ontdekte was het al te laat. Een groot deel was kaalgevreten. Je kunt de rupsen wegvangen, maar dat is precisiewerk. Minder biologisch is spuiten met pyrethrum of pyrethroïden.

De tuincentra verkopen inmiddels vervangend materieel. Japanse hulst (Ilex crenata) lijkt de beste troonopvolger. Let wel: de plant oogt stijver en zelfs een beetje plastic. Maar schimmels en aantastingen blijven voorlopig uit.

Ik heb twee piepkleine bollen tegen peperdure prijzen gekocht. Ik heb mijn Mini en Maxi, Peppi en Kokki, Jut en Jul terug.

 

Naschrift:

  • Op Tuinadvies.nl vind je een verspreidingskaart van de buxusmot of -rups over de Benelux. Om verspreiding te voorkomen moet – afhankelijk van de gemeente waar je woont – de verwijderde buxus behandeld worden als restafval en afgesloten verpakt in plastic worden aangeleverd.
  • Rupsen worden vlinders. Je kunt dus ook je buxusstruiken welwillend offeren voor deze vlinders.
Meikever - Melolontha melolontha

Een meikever in mei

Ik vond gisteren een drie centimeter groot insect in mijn tuin. De dode kever blijkt een meikever te zijn. Door intensieve bestrijding is dit ‘plaaginsect’ zeldzaam geworden. Hij leeft aan bosranden, op akkers en in tuinen. De volwassen meikever heeft een voorkeur voor de eik. En laten we er daar aan de Eikenlaan nou genoeg van hebben.

De dichter Paul van Ostaijen heeft in 1925 een mooi grafschrift voor mijn meikever geschreven:

Land Mei

Regen valt bloesemvracht
     veelvuldig kaarst kastanjelaar
     Mei
                          Mariamaand
rustas staan seringestruiken
ver ligt het vlondertje ding
                                                   het vlondertje is

Laat slaat meikever vensterruit
wordend
                                       mij in rust
                                       geringe beweging
                                                           kringetje
                                                                               kring

Meikever legt zich
                                  verre zoeven
                                                                      rust

Varens

De lente op z’n mooist

Ik heb al eens geschreven dat de lente mijn favoriete seizoen is. Ja, beste lezer, wat koop je daar nu voor, voor zo’n mening? Dit keer maak ik het nog bonter en specifieker want ik heb ontdekt dat de laatste twee weken van april mijn favoriete weken van het tuinjaar zijn.

Het is de tijd dat de bekende voorjaarsbollen praktisch voorbij zijn. Het groen van de krokussen is al bijna verdwenen, de sneeuwklokjes zetten zaad, de narcissen zijn uitgebloeid. Hier en daar wil een late tulp de show nog stelen.

Ik heb eens gelezen dat judaspenning (Lunaria annua) zo’n bruikbare plant is omdat deze een gat overbrugt op een moment dat er weinig anders bloeit. Het kan aan het verwarde klimaat liggen van tegenwoordig, maar ik merk niet veel van een gat. Integendeel.

In de laatste twee weken vult mijn border zich met blad, zo ongeveer als een heleboel in serie geplaatste airbags zich vullen met lucht. Poef! Poef! Het is een ongekende frisse weelde die verschijnt, in verschillende vormen en kleuren. Het blad is nog smetteloos. Elke dag verschijnt er iets nieuws.

Dit is de tijd waarin de rabarber zijn eerste, rijke oogst geeft, de asperges de kop opsteken en de paardenkastanje nog majestueus bloeit, zonder een spoor van de bladvlekkenziekte.

Na de boomerangvorst van februari en maart was ik bang dat er veel kapotgevroren zou zijn. Maar nee, de vijg loopt dapper uit, de dahlia’s maken nieuwe scheuten en ook de weinig winterharde Salvia microphylla ‘Royal Bumble’ vormt een groene heuvel, voordat straks de lakrode bloemen verschijnen.

Als ik zo keurend rondkijk en de balans opmaak stemt dat tot tevredenheid. Niet te lang, want als ik even met mijn ogen knipper staan er ook weer onkruiden, of zaailingen van iets te enthousiaste eenjarigen, zoals slaapmutsjes (Escholzia californica), papavers en rode melde (Atriplex hortensis rubra).

Dat betekent de regie houden, orkestreren. En groenten zaaien in de volle grond, want daar is het nu de juiste tijd voor.

Verwilderen

Verwilderen met Romke

In de leesstapel naast mijn bed vond ik het boek Verwilderen van Romke van de Kaa. Het lag daar al drie jaar te verstoffen. In 2015 had ik het meegenomen tijdens de tuinreis die ik met Romke maakte. Omdat ik ontspannende lectuur nu wel kon gebruiken begon ik vooraan te lezen. En een week later had ik het uit. Voor mijn doen is dat razendsnel.

Iemand die wel eens kijkt naar Gardener’s World op BBC2 weet wat ik bedoel als ik zeg dat het relaxerende tv is. To unwind is de Engelse uitdrukking die dat gevoel beter dekt. Het planten van een struik door Monty Don, het overmatige enthousiasme van Carol Klein, de halfharde stekken die tegen de rand van een potje worden gezet: hoe vaak heb ik het al niet eerder gezien?

Het zijn hapklare variaties op terugkerende thema’s, jaar in jaar uit, maar toch doe je soms nog een nieuw idee op voor een slimme oplossing of een bruikbare plant. Met de stukjes van Romke van de Kaa is dat langzamerhand ook zo.

Voor de duidelijkheid: Van de Kaa is een goede stilist en heeft een encyclopedische plantenkennis. Hij is in de leer geweest bij wijlen Christopher Lloyd maar steekt die man naar de kroon als het op schrijven aankomt. De humor van Van de Kaa is voor ons Nederlanders beter herkenbaar, ironisch, soms wat cynisch zelfs. Dat lezen over tuinieren zo onderhoudend, leerzaam en grappig tegelijk kan zijn.

Verwilderen Romke van de KaaVerwilderen beweegt zich in grote thematische lijnen langs onderwerpen als bloemenweides, grindtuinen, themaplanten, woekeraars en verwilderingsbollen. Het lijken de bekende stukjes uit de regionale kranten, maar dan in een meer logisch verband. Verwilderen is op zichzelf al een provocerend onderwerp, want in hoeverre is dat wenselijk of haalbaar in onze afgemeten voor- en achtertuintjes?

Anders dan we van zijn boeken gewend zijn is dit boek voorzien van kleurenfoto’s. Die zijn net als de schrijver zelve toepasselijk en zonder een teveel aan glamour.

Blijft er een gevoel van: ik heb het allemaal al een keer gelezen. En voor een deel heb ik dat drie jaar geleden waarschijnlijk ook gedaan, maar ben ik het weer vergeten.

Wat ik jammer vind zijn de kleine tirades tegen The Dutch Wave, de ontwerpers van grassentuinen, waarvan Piet Oudolf de bekendste exponent is. Ik proef daarin nog steeds wrevel over de ooit mislukte samenwerking tussen schrijver en Oudolf.

Kiezen voor een grassentuin is in de praktijk kiezen voor een tuin die relatief laat in het jaar tot volle ontwikkeling komt. Net zo goed als de keuze voor een stinzenplantentuin maakt dat het hoogtepunt van aantrekkelijkheid in het voorjaar valt. Voor mij is dat een kwestie van (extreme) voorkeur voor een bepaald soort planten en dus ook smaak. En – op dit niveau – valt daar eigenlijk niet over te twisten.

Verwilderen : Laat de plant het werk doen / Romke van de Kaa. – 5e dr. – [Amsterdam]: Uitgeverij Olympus, 2017. – 295 p. – ISBN 978-90-467-0642-8.
De nieuwste druk heeft een andere cover dan hierboven.

Opnieuw beginnen

Het is bijzonder dat er een soort van catharsis nodig is om mij na jaren weer aan het schrijven te krijgen voor mijn eigen weblog. De ‘Waltzing Mathilda’ dahlia van 9 augustus 2016 was de laatste foto die ik met de wereld deelde.

Ik ben ziek – ik heb waarschijnlijk gewoon een late griep – en besef ineens hoe belangrijk het is dat iets je smaakt. De afgelopen dagen is de wijn te zuur, de koffie te bitter, de kaas te zout. Als je dan een aardbei proeft – van een ouderwetse groenteboer – waar geen korreltje suiker op hoeft dan besef je hoe belangrijk smaak is.

Mijn stem klinkt twee octaven lager door het vele hoesten. Barry White, maar dan buiten adem en zonder sensuele warmte. Gewoon weer kunnen ademhalen en praten,  dat zou leuk zijn.

De afgelopen negentien maanden heb ik niet stil gezeten. Mijn leven was goed gevuld. Mijn tuin is nog steeds een project. Ik heb zo nu en dan foto’s gemaakt van mijn vorderingen en meer of minder geslaagde plantcombinaties. Ik had toen ik stil viel nog stukjes in de wacht staan. Maar de prioriteiten lagen blijkbaar elders. Niets afgemaakt, niets meer de wereld ingestuurd.

Ondertussen ging mijn voormalige gastblogster Stien den Braber als een speer (sorry voor deze modieuze, wat versleten uitdrukking). Haar fotografie en schrijven over tuinen, wandelen en literatuur heeft zich echt ontwikkeld tot een bijna wekelijkse prestatie.

In mijn achtertuin stonden op de erfgrens vier sparren verstrengeld. Begin vorig jaar heb ik er drie weg laten zagen. De boom die overbleef heb ik opgekroond omdat de onderste takken onregelmatig en kaal waren. Vervolgens heb ik er drie Cornus alba siberica ‘Variegata’ onder geplant. Mijn tuinvriendin roept steeds dat ze het niet weet met die boom. Maar ik heb iets met die hangende takken en dat altijd groene aan de einder. Waarschijnlijk hoop ik dat ik nog eens een eekhoorn tegen de boomstam omhoog zie klimmen. Vandaag keek ik eens goed en zag hoe op zijn mooist de paarsroze bloemknoppen van de spar nu zijn. Als je er tegen aan loopt zie je het stuifmeel er vanaf komen.

Er zijn van die momenten in je leven dat het voelt alsof er aan je stoelpoten wordt gezaagd. Waar je altijd met enthousiasme en de beste bedoelingen aan bijdroeg vindt men ineens niet zinvol meer. In zo’n moment zit ik nu.

Dingen zien en vastleggen – al is het maar voor jezelf – is een zinvolle bezigheid. Dat is het waarderen van wat je signaleert. En tegelijkertijd schep je iets. Je hebt er anderen niet voor nodig.

Het klinkt prozaïsch, maar meer is het in beginsel niet. Want ik heb niet de pretentie dat ik met mijn foto’s en schrijfsels veel mensen ga bereiken. Tijdens mijn leven zal er geen bloemlezing van verschijnen. En na mijn dood ook niet.

Met digitale fotografie, internet, alle selfies, vlogs en social media wordt het leven soms vluchtiger en nietiger dan ooit. De zin is de waardering, het zien, de reflectie en het scheppen dat soms goed lukt en soms minder.

Gaspeldoorn in Gorges du Verdon

De flora van de Gorges du Verdon

Begin juni wandelde ik een week om en in de grootste kloof van Europa, de Gorges du Verdon in de Provence. De Fransozen klaagden over het natte en koude voorjaar, maar ik kreeg onderweg geen druppel. Wel druppelde het elke dag volgens het Buienalarm op mijn mobiel in Nederland (waar de zomer dit jaar meer op een moesson lijkt, maar dat terzijde).

Panorama Gorges du Verdon vanaf Point Sublime
De Gorges du Verdon vanaf Point Sublime

De ‘Grand Canyon du Verdon’ is een berggebied waarin de woeste rivier in eeuwen en eeuwen een enorm ravijn heeft uitgesleten. Tijdens het wandelen werd ik getrakteerd op rotsfaçades, vergezichten en alpenweides. Toch genoot ik vooral van de grote natuurtuin om me heen. In mijn hoofd benoemde ik de plantensoorten die ik herkende. Het zijn er veel die ook in de siertuin overeind blijven, zoals wolfsmelk (Euphorbia characias en Euphorbia spinosa), Helleborus foetidus en Campanula persicifolia.

Bomen

In deze warme en droge streek zijn er enkele planten die sterk domineren. Voor de bomen zijn dat de op lager gelegen gebied de eik (Quercus pubescens) en op hoger gelegen gebied de grove den (Pinus sylvestris), de zwarte den (Pinus nigra) en de Aleppoden (Pinus halepensis). Ik was verbaasd dat de maretak of mistletoe (Viscum album) hier ook op dennen zijn borstels maakt. Ik dacht altijd dat deze halfparasiet alleen op loofbomen groeide.

Struiken

Voor de struiken domineren de Pruikenboom (Cotinus coggygria, de gewone groene soort met rozige pluimen) en… buxus (Buxus sempervirens). Vooral die laatste tiert alsof er geen belagende schimmels of mijten bestaan.

Planten uit de Gorges du Verdon
Ook gezien: Orchis purpurea, Linum suffruticosum en Lathyrys tuberosus

Hoger in de bergen was de lucht vaak zwanger van de bloeiende Gaspeldoorn (Ulex parviflorus), terwijl het op zonnige vlaktes ineens sterk naar tijm (Thymus vulgaris) kon ruiken.

Kruiden

Daarmee kom ik op de laagste divisie, naast tijm: lavendel (Lavandula angustifolia) en bonenkruid (Satureja montana). Een trio dat alleen daarom al niet in de Herbes de Provence mag ontbreken.

Kalk

Wat ik me door het zien van de natuurlijke groeiplaats vooral realiseerde is dat al deze soorten houden van (veel) kalk in de grond.

Denk daar nog eens aan en geef je strak in het keurslijf gesnoeide buxus zo nu en dan eens wat korrelkalk te eten.

Picus viridis (Groene specht)

Kleinbehuisd geluk

Ieder die een tuin heeft weet: je haalt niet alleen planten binnen je bereik, maar schept ook een biotoop voor kleine en grote beestjes. Die onverwachtse ontmoetingen maken de tuin verrassend. En steeds realiseer ik me dan hoe weinig ik eigenlijk weet van het dierenleven om mij heen.

Plagen?

Ik heb het nu eens niet over invasies van slakken of luizen, of ravages veroorzaakt door buurtkatten of postduiven. Soms lijkt het alsof we dieren in de tuin altijd moeten bestrijden, in plaats van er mee samenleven.

De ‘torretjes’ met rood met zwarte schildjes in mijn tuin leken dit voorjaar bijna een plaag. Het zijn vuurwantsen, onschadelijke insecten, die net zo gemakkelijk verdwijnen als ze komen. Het pantser van deze beestjes lijkt op een Afrikaans schild, waardoor je gemakkelijk denkt dat ze echt gevaarlijk zijn.

Nestelen

Toen ik twee jaar geleden mijn intrek nam in mijn prachtig gelegen tuin met huis nam ik me voor om elk jaar een nestkast op te hangen. Er hangen er nu dus inmiddels – je snapt het – twee: een kast voor een pimpelmees en een kast voor een holenbroeder, zoals een winterkoning. Beiden zijn soorten die minder voorkomen in mijn tuin.

De holenbroederkast bleef onaangeroerd. De pimpelmezenkast werd dit voorjaar druk bezocht door een koolmees. Er werd een nest begonnen, maar de koolmees werd ondertussen te dik. Dat leverde een slapstick op van een vogel die minutenlang probeerde om door een te klein gaatje te kruipen. Die nestkast werd dus ook geen succes.

Turdus merulus (Merel)

 

Achter mijn schuurtje was al regelmatig een merel weggevlogen als ik daar wat spullen pakte. Tot mijn verbazing trof ik daar een merelnest, onder het afdak, bovenop mijn houtstapel. Vijf blauwgrijze eieren, die inmiddels zijn omgetoverd tot vijf donzige portemonneebekjes. Ik mijd de achterzijde van mijn schuur zoveel mogelijk. Tot nu toe gaat alles goed…

Eten

Vorige week tegen schemertijd stond ik oog in oog met een egel. Een volwassen, lichtbruin beestje met slaperige oogjes. Een welkome gast in mijn moestuin, want een egel eet onder andere slakken. We bleven elkaar minutenlang roerloos aankijken. Evenzogoed was het beestje verdwenen toen ik wat later terugkwam.

Picus viridis (Groene specht)

 

En voor het raam van mijn woonkamer posteert een groene specht. Zolang hij me niet in de gaten heeft pikt hij behendig tussen de bestrating naar mieren en miereneitjes. Een grote, opvallend gekleurde vogel. Ook al op zoek naar klein geluk.

Als je het leuk vindt om te delen: laat eens weten wat jouw positieve ervaringen zijn met dieren in de tuin.