Gaspeldoorn in Gorges du Verdon

De flora van de Gorges du Verdon

Begin juni wandelde ik een week om en in de grootste kloof van Europa, de Gorges du Verdon in de Provence. De Fransozen klaagden over het natte en koude voorjaar, maar ik kreeg onderweg geen druppel. Wel druppelde het elke dag volgens het Buienalarm op mijn mobiel in Nederland (waar de zomer dit jaar meer op een moesson lijkt, maar dat terzijde).

Panorama Gorges du Verdon vanaf Point Sublime
De Gorges du Verdon vanaf Point Sublime

De ‘Grand Canyon du Verdon’ is een berggebied waarin de woeste rivier in eeuwen en eeuwen een enorm ravijn heeft uitgesleten. Tijdens het wandelen werd ik getrakteerd op rotsfaçades, vergezichten en alpenweides. Toch genoot ik vooral van de grote natuurtuin om me heen. In mijn hoofd benoemde ik de plantensoorten die ik herkende. Het zijn er veel die ook in de siertuin overeind blijven, zoals wolfsmelk (Euphorbia characias en Euphorbia spinosa), Helleborus foetidus en Campanula persicifolia.

Bomen

In deze warme en droge streek zijn er enkele planten die sterk domineren. Voor de bomen zijn dat de op lager gelegen gebied de eik (Quercus pubescens) en op hoger gelegen gebied de grove den (Pinus sylvestris), de zwarte den (Pinus nigra) en de Aleppoden (Pinus halepensis). Ik was verbaasd dat de maretak of mistletoe (Viscum album) hier ook op dennen zijn borstels maakt. Ik dacht altijd dat deze halfparasiet alleen op loofbomen groeide.

Struiken

Voor de struiken domineren de Pruikenboom (Cotinus coggygria, de gewone groene soort met rozige pluimen) en… buxus (Buxus sempervirens). Vooral die laatste tiert alsof er geen belagende schimmels of mijten bestaan.

Planten uit de Gorges du Verdon
Ook gezien: Orchis purpurea, Linum suffruticosum en Lathyrys tuberosus

Hoger in de bergen was de lucht vaak zwanger van de bloeiende Gaspeldoorn (Ulex parviflorus), terwijl het op zonnige vlaktes ineens sterk naar tijm (Thymus vulgaris) kon ruiken.

Kruiden

Daarmee kom ik op de laagste divisie, naast tijm: lavendel (Lavandula angustifolia) en bonenkruid (Satureja montana). Een trio dat alleen daarom al niet in de Herbes de Provence mag ontbreken.

Kalk

Wat ik me door het zien van de natuurlijke groeiplaats vooral realiseerde is dat al deze soorten houden van (veel) kalk in de grond.

Denk daar nog eens aan en geef je strak in het keurslijf gesnoeide buxus zo nu en dan eens wat korrelkalk te eten.

Advertenties
Picus viridis (Groene specht)

Kleinbehuisd geluk

Ieder die een tuin heeft weet: je haalt niet alleen planten binnen je bereik, maar schept ook een biotoop voor kleine en grote beestjes. Die onverwachtse ontmoetingen maken de tuin verrassend. En steeds realiseer ik me dan hoe weinig ik eigenlijk weet van het dierenleven om mij heen.

Plagen?

Ik heb het nu eens niet over invasies van slakken of luizen, of ravages veroorzaakt door buurtkatten of postduiven. Soms lijkt het alsof we dieren in de tuin altijd moeten bestrijden, in plaats van er mee samenleven.

De ‘torretjes’ met rood met zwarte schildjes in mijn tuin leken dit voorjaar bijna een plaag. Het zijn vuurwantsen, onschadelijke insecten, die net zo gemakkelijk verdwijnen als ze komen. Het pantser van deze beestjes lijkt op een Afrikaans schild, waardoor je gemakkelijk denkt dat ze echt gevaarlijk zijn.

Nestelen

Toen ik twee jaar geleden mijn intrek nam in mijn prachtig gelegen tuin met huis nam ik me voor om elk jaar een nestkast op te hangen. Er hangen er nu dus inmiddels – je snapt het – twee: een kast voor een pimpelmees en een kast voor een holenbroeder, zoals een winterkoning. Beiden zijn soorten die minder voorkomen in mijn tuin.

De holenbroederkast bleef onaangeroerd. De pimpelmezenkast werd dit voorjaar druk bezocht door een koolmees. Er werd een nest begonnen, maar de koolmees werd ondertussen te dik. Dat leverde een slapstick op van een vogel die minutenlang probeerde om door een te klein gaatje te kruipen. Die nestkast werd dus ook geen succes.

Turdus merulus (Merel)

 

Achter mijn schuurtje was al regelmatig een merel weggevlogen als ik daar wat spullen pakte. Tot mijn verbazing trof ik daar een merelnest, onder het afdak, bovenop mijn houtstapel. Vijf blauwgrijze eieren, die inmiddels zijn omgetoverd tot vijf donzige portemonneebekjes. Ik mijd de achterzijde van mijn schuur zoveel mogelijk. Tot nu toe gaat alles goed…

Eten

Vorige week tegen schemertijd stond ik oog in oog met een egel. Een volwassen, lichtbruin beestje met slaperige oogjes. Een welkome gast in mijn moestuin, want een egel eet onder andere slakken. We bleven elkaar minutenlang roerloos aankijken. Evenzogoed was het beestje verdwenen toen ik wat later terugkwam.

Picus viridis (Groene specht)

 

En voor het raam van mijn woonkamer posteert een groene specht. Zolang hij me niet in de gaten heeft pikt hij behendig tussen de bestrating naar mieren en miereneitjes. Een grote, opvallend gekleurde vogel. Ook al op zoek naar klein geluk.

Als je het leuk vindt om te delen: laat eens weten wat jouw positieve ervaringen zijn met dieren in de tuin.

Equisetum arvense (Heermoes of Akkerpaardenstaart)

Heermoes (Equisetum arvense)

Het is nu echt lente. Dat zie je niet alleen in de tuin. Ook in de berm kun je heel wat in bloei zien staan: hondsdraf, dovenetel, paardenbloem, fluitekruid, groot hoefblad.

Een paar weken geleden zag ik in de berm de bijzondere bloei van akkerpaardenstaart of heermoes. Eerst komen de kale stengels tevoorschijn die sporen bevatten (zie foto boven).

Na een paar weken zijn deze verdwenen en veranderd in fijnvertakte groene stengels (zie foto hieronder).

Levend fossiel

Wat echt bijzonder is: net zoals varens is dit een oerplant die zich als ‘levend fossiel’ nog steeds handhaaft. Alleen daarom al wilde ik er een stukje aan wijden.

Driehonderd miljoen jaar geleden, in het Carboon, groeiden ze uit tot twintig meter hoogte. Later, zo’n honderdveertig miljoen jaar geleden, waren ze een belangrijke voedselbron voor dinosaurussen.

Ik kan me bij deze jaartallen helemaal niets voorstellen, behalve dat het heel erg lang geleden is.

Equisetum arvense (Heermoes of Akkerpaardenstaart)

 

Giftig

De akkerpaardenstaart is dus een overlever. Hij groeit op vochtige, voedselarme en zure gronden.

Op vervuilde bodem blijft hij  het langste staan of is hij een van de eerste planten die weer verschijnt. Heermoes is zó goed bestand tegen zware metalen dat het deze zelfs opslaat in het eigen weefsel.

In de tuin wil je deze plant liever niet. Het kan een plaag worden door de ondergrondse wortelstokken. In het weiland is hij ook ongewenst: voor dieren en vooral paarden is hij giftig.

In de homeopathie worden aan de plant geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. Gezien die zware metalen zou ik er niet zomaar een aftreksel of thee van maken, maar het schijnt te kunnen.

Allium ursinum (Daslook)
Afbeelding

Allium ursinum (Daslook)

Daslook is een voorjaarsbloeier uit de uienfamilie. In Nederland komt daslook nauwelijks nog in het wild voor en is het een beschermde plant. Je mag de plant dus niet plukken of de bol uit de grond halen.
In Engeland en Ierland komt de plant algemeen voor en zijn in april hellingen bedekt met de witte bloemetjes. Ik kwam zelfs een Iers recept tegen voor daslooksoep. Je hoeft ze niet uit de natuur te halen: je kunt gewoon daslookplantjes kopen en in je tuin zetten.

Neus boven de grond

Zaaien in de volle grond in maart: ja, het kan. Of het zin heeft om altijd zo vroeg te beginnen, dat vraag ik me af.

Begin maart zaaide ik in de eerste droge dagen na een hoop nattigheid radijs, wortel, pastinaak, ui, sla en sugarsnaps. Keurig op regels met naambordjes. Vervolgens bleef het bijna een maand nogal droog en koud. Na één week kon ik niks verwachten, dat wist ik. Week 2 was ook nog te optimistisch. Bij week 3 begon het te kriebelen en keek ik zo nu en dan of er al iets groens te bespeuren viel. Tegen week 4 keek ik elke ochtend en avond, maar nee.

“Zuster Anna, ziet gij al iets komen?” dacht ik met enig dramatisch gevoel van zelfspot. Dit moestuinbed wordt niets, nada. De redders te paard uit het sprookje Blauwbaard komen eerder opdagen dan het eerste groen in mijn keurige regels. De enige neus boven de grond was die van mij.

Je kunt veel onzin op 1 april verkondigen, maar dit jaar was het wel mooi de eerste lentedag. Of de eerste dag die als lente voelde. En ziedaar: een miniscuul blaadje radijs. En dat sprietje zou wel eens het kwetsbare begin van een wortel kunnen zijn. Twee dagen later zag ik de eerste spruiten van de sugarsnaps.

Misschien dat ik volgend jaar beter let op de temperatuur. Zo bespaar ik mezelf onnodige onrust in tijden waarin je toch al het groen het liefst de grond uitkijkt.

Phaseolus vulgarus (kievitsboon)

De slingers ophangen. Over kievitsbonen

“Het leven is een feest,  maar je moet wel zelf de slingers ophangen”. Ik heb dit, geloof ik, gelezen op een poster van Loesje. En ik ben het er mee eens.

Daarom zet ik om de paar jaar kievitsbonen in mijn tuin. En dan de klimmende variant, zodat je in de nazomer de mooie grote rode peulen goed ziet hangen. Wat een feest: alsof er slingers hangen in je tuin!

Spraakverwarring

Er zijn verschillende namen voor deze bonensoort. In Nederland heten ze kievitsboon. De veel bekendere Italiaanse naam is borlotti. En in Frankrijk noemen ze ze coco rose.

Hier begint dus de spraakverwarring. Want sommige bronnen spreken van kievitsboon ofwel pintoboon, niet te verwarren met de borlotti of coco rose. Dit omdat de pintoboon van oorsprong uit Chili komt, terwijl de andere twee hun oorsprong in Zuid-Europa zouden hebben.

Volgens anderen zijn het gewoon verschillende namen voor dezelfde boon. De Latijnse naam biedt ook geen uitkomst. Bij de zaadhandel heten ze allemaal Phaseolus vulgarus.

Ik kom er niet uit. Hoe ze ook heten, allemaal hebben ze de prachtige, vlammend rode peulen en de gespikkelde wit-rode boontjes. Dat verklaart de Nederlandse naam: de boontjes lijken op kievitseitjes.

Zaaien, oogsten en eten

Leg kievitsbonen vooral niet te vroeg, zeker niet voor mei. En dan ook nog als er goed weer verwacht wordt. Te nat en te koud weer (vooral die combinatie) maakt dat de bonen gaan rotten in de grond.

Omdat ze niet zo gemakkelijk ontkiemen (voorweken helpt) en de weersomstandigheden nauw letten, kun je ook binnen voorzaaien in potjes. Je hebt de omstandigheden in de hand en voorkomt dat de net opgekomen boontjes worden afgepikt door de vogels.

Het mooiste effect krijg je met de klimmende variant: de bonen worden gemakkelijk een paar meter hoog en slingeren zich rond de stokken of steunen. Na de bloei verschijnen de eerst groene bonen.

De eerste keer dat ik ze probeerde liet ik sperziebonen en kievitsbonen door elkaar groeien. Ik dacht aan de kleur wel het verschil te zien. Dat bleek niet zo te zijn: ze beginnen allebei groen. Maar terwijl je de sperziebonen dan plukt om te eten, moeten de kievitsbonen veel langer blijven hangen.

Langzaam kleuren de kievitsbonen rood tot ze ongeveer in september je hele tuin opfleuren. Gecombineerd met dahlia’s is het tuinfeest compleet.

Kievitsbonen zijn rijp als de boontjes in de peul rood-wit gestippeld zijn. Is dat niet het geval, dan zijn ze nog niet rijp. Kievitsbonen zijn droogbonen, dat wil zeggen dat je ze na het doppen kunt drogen en bewaren zoals bruine bonen.

Maar je kunt ze ook direct vers koken. Tijdens het koken verdwijnen de mooie spikkels. De smaak is niet heel bijzonder, ongeveer zoals de bruine boon.

Met de kievitsboon besluit ik mijn bijdragen aan Het jaar van de peulvruchten. De eerdere twee blogs gingen over tuinbonen en peultjes.